| Rechten en plichten in de welvaartsstaat |
|
Ons sociaal model is een van de belangrijkste maatschappelijke verwezenlijkingen sinds de Tweede Wereldoorlog. Bovenop een individuele verzekering tegen werkloosheid, ziekte of ouderdom, heeft het systeem ook een solidariteitscomponent. Sommige uitkeringen, zoals het leefloon, zijn onafhankelijk van of men eigen bijdragen heeft betaald, en wie veel verdient, draagt meer bij dan de rechten die worden opgebouwd. Daardoor scoort België als een van de beste landen qua inkomensgelijkheid. In tegenstelling tot de meeste andere OESO-landen is de ongelijkheid hier ook niet toegenomen sinds midden jaren 80. Niemand betwist eigenlijk het principe van onze welvaartsstaat. Ons socialezekerheidssysteem heeft echter ook een prijs. Vorig jaar besteedde ons land 91,7 miljard euro aan sociale uitgaven. We geven 1,9 procent van ons bruto binnenlands product (bbp) meer uit aan sociale zekerheid dan het gemiddelde van de Europese Unie. Omgerekend een meerprijs van 6,6 miljard euro. Bovendien stijgen de sociale uitgaven sinds 2000 sneller dan de groei van de economie. De échte impact van de ouder wordende bevolking op pensioenen en gezondheidsuitgaven moet bovendien nog komen. De Studiecommissie voor de Vergrijzing raamt tegen 2060 bijkomende meerkosten van 5,6 procent van het bbp. Nu al klagen werkgevers over de nog steeds te hoge lasten op de lonen die arbeidsintensieve activiteiten in ons land onbetwistbaar opzadelen met een concurrentiekrachthandicap. En dat terwijl de socialezekerheidsbijdragen nog maar voor amper 56 procent van de sociale uitgaven instaan. De rest past de staat bij via algemene middelen. Om de onvermijdelijke groei van de sociale uitkeringen te kunnen opvangen, zullen we het systeem moeten aanpassen. Ook wie vandaag begint bij te dragen moet het perspectief hebben te kunnen genieten van een inkomensverzekering als hij pech heeft en zijn werk verliest, of op pensioengerechtigde leeftijd komt. Dat principe mag als een verworven recht worden beschouwd. Een ander verhaal zijn de veeleer vrijwillige keuzes die we maken om de loopbaan te onderbreken, zoals bij tijdskrediet. Ook vervroegde pensionering is niet altijd opgedrongen. Hier komt de balans tussen rechten en plichten in beeld. Staat de mate waarin men als individu heeft bijgedragen tot de financiering van het systeem nog wel in verhouding tot het genot ervan? In de jaren 60 werkten we gemiddeld twee derde van ons leven. Door een combinatie van langer studeren, vervroegde pensionering én een langere levensverwachting zijn we nu nog maar de helft van ons leven beroepsactief. Is het dan nog verdedigbaar de factuur van vrijwillige uitstapsystemen zomaar door te sluizen naar de anderen die er geen beroep op doen, of zelfs naar de volgende generaties? De nieuwe federale regering doet enkele voorzichtige stappen in de goede richting om mensen langer aan het werk te houden. Dat heeft twee belangrijke voordelen. De verhouding tussen wat men terugkrijgt van de maatschappij en wat men bijdraagt zal verbeteren. En het arbeidsaanbod zal minder snel opdrogen, zodat de krapte op de arbeidsmarkt minder schrijnend wordt. Daardoor zullen meer schouders de kosten van onze welvaartsstaat dragen. Hoe groter die groep, hoe kleiner de last voor eenieder. Maar niet enkel individuen en werknemers dragen daarin verantwoordelijkheid. Ook werkgevers moeten zich bewust worden van de waarde om meer ervaren werknemers aan de slag te houden. Al te vaak moet die groep het ontgelden bij een herstructurering. Te vaak horen we nog dat minder wordt geïnvesteerd in opleiding of vorming van werknemers vanaf een bepaalde leeftijd. Die collectieve mentaliteit van 'afhaken' moet worden doorbroken. Naarmate werknemers zich blijvend gewaardeerd voelen op de werkplek mét ontplooiingskansen, zullen ze wellicht minder hard uitkijken naar een vervroegde uitstap. De weerstand van de vakbonden tegen langer werken zal dan snel ijdel blijken. Met wat nu voorligt op de regeringstafel is het tijd voor de sociale partners om elkaar eens diep in de ogen te durven kijken en korte metten te maken met vervroegde uittreding à la carte. Caroline Ven is gedelegeerd bestuurder van het Ondernemersplatform VKW.
|

Volg ons:

Deze pagina delen: