| Onderwijs en arbeidsmarkt: een goed huwelijk? |
| Geschreven door Ria Goris |
|
Heel wat ondernemers krijgen hun vacatures ternauwernood ingevuld: ofwel vinden ze geen technisch geschoolde mensen, ofwel schort het aan de houding van jonge schoolverlaters. Moet het onderwijs jonge mensen meer sturen naar maatschappelijk relevante studiekeuzes en hen beter voorbereiden op de arbeidsmarkt? Herman Baert, verbonden aan het Centrum Sociaal-culturele en Arbeidspedagogiek van de Leuvense universiteit, ziet een belangrijke lacune in ons onderwijssysteem. Wilson De Pril, directeur-generaal van Agoria, is geen voorstander van een onderwijs dat vooral techneuten aflevert. Toch is meer afstemming nodig tussen het onderwijs en het bedrijfsleven. Herman Baert: “Soms formuleren arbeidsorganisaties hun verwachtingen aan het onderwijs te punctueel en tijdsgebonden.”De vragen ‘Wat betekent arbeid voor mij?’en ‘Wat wil ik hierdoor voor anderen betekenen?’ komen te weinig aan bod. Leerlingen worden ook nauwelijks met de arbeidswereld geconfronteerd. Een voorbeeld: mijn vader ontwierp tapijten. Hij overzag een werkruimte met tientallen weefgetouwen, met telkens twee of drie arbeiders per weefgetouw. Ik herinner me als kind dat af en toe mocht meelopen in de weverij, dat dit een levendige en herkenbare bedrijvigheid gaf. Nu zijn er nog een drietal mensen aan het werk om meer dan honderd computergestuurde machines te opereren, met ergens op de achtergrond onzichtbare programmeurs en ontwerpers. Arbeid wordt steeds meer een ver-van-mijn-bedshow; veel jongeren kunnen er zich geen concrete voorstelling van maken. Tegelijk is de jongvolwassenheid verlengd tot een levensfase met een eigen bestaanswijze en cultuur. Dit speelt mogelijk mee in de huidige trend om de beroepskeuze voor zich uit te schuiven. Heel wat studenten besluiten na een hogere beroepsopleiding te gaan voor verdere studies. Een investering in hun toekomst of uitstelgedrag? Ik denk dat we jongeren veel vroeger vertrouwd moeten maken met de arbeidswereld en helpen zoeken naar de rol die ze daarin willen spelen. Deep level learningHet onderwijs kan jonge mensen onmogelijk honderd procent voorbereiden op een concrete job. Soms formuleren arbeidsorganisaties hun verwachtingen aan het onderwijs te punctueel en tijdsgebonden, zoals de SERV met zijn functie- en competentieprofielen voor beroepen en opleidingen. Enerzijds stimuleert dat wel een concrete dialoog, maar anderzijds zijn zulke profielen snel verouderd omdat technologie razendsnel evolueert. Het onderwijs kan een brede basis leggen, maar het bedrijfsleven moet ook verantwoordelijkheid opnemen voor concreet benodigde competenties en voor permanente vorming. Een arbeidsovereenkomst zonder leerovereenkomst is niet meer van deze tijd. Het onderwijs heeft de taak om jongeren voor te bereiden op blijvend leren door hen een breed ‘competentiereservoir’ bij te brengen. Bijvoorbeeld leiderschap, een kwaliteit die niet enkel van ondernemers maar van werknemers wordt verwacht. Als onderdeel van leiderschap moet je problemen leren identificeren en probleemoplossende strategieën kennen en kunnen hanteren. Dit kan men aanleren in het onderwijs, maar theoretische modellen volstaan natuurlijk niet. Hiervoor zijn methoden voor deep level learning beter geschikt, bijvoorbeeld projectwerk, stages of miniondernemingen. Dit zijn langzame vormen van leren, maar het resultaat beklijft wel vaak. Ik hoor soms de kritiek vanuit het bedrijfsleven dat leerlingen onvoldoende de vaardigheid hebben om het geleerde creatief toe te passen en daarbij initiatief en verantwoordelijkheid te tonen. Ik pleit daarom voor een uitbreiding van deep level learning in ons onderwijs. Waarom stages bijvoorbeeld beperken tot technische en beroepsopleidingen? Leerlingen van het algemeen secundair onderwijs hebben er eveneens baat bij. Ik durf hopen dat leerkrachten ook voldoende flexibel omgaan met de eindtermen in het onderwijs. Velen lijken te denken dat de inhoud ervan in steen gegrift staat. In de praktijk is er heel wat creativiteit mogelijk. Een maximum aan kennis in jonge hoofden stouwen komt niet meer overeen met wat nodig is om de aansluiting met de arbeidswereld te maken. Wanneer een bepaalde groep jongeren bijvoorbeeld de basistechnieken van lassen onder de knie heeft, ze ten volle begrijpt, een goed besef heeft van veiligheids- en kwaliteitsnormen, en problemen kan onderkennen en oplossen, zullen deze jongeren zich snel kunnen aanpassen aan wat een bedrijf van hen nodig heeft. Ons onderwijs moet zich nog meer toespitsen op leren leren, meer dan op encyclopedische kennis of op zeer specifieke technische vaardigheden. Wilson De Pril: “Er is een grote scheeftrekking tussen vraag en aanbod.”Het onderwijs en het bedrijfsleven hanteren een andere logica. Ze opereren ook met verschillende snelheden. Het bedrijfsleven moet voldoende toegevoegde waarde creëren zodat onder meer het onderwijs, ons zorgsysteem en de overheid betaald kunnen worden. Het moet daarvoor competitief sterk staan in de internationale concurrentie. In het onderwijs geldt er geen competitie, of toch niet in dezelfde mate. Ook als het onderwijssysteem concurrentieel niet sterk staat, zal het blijven voortbestaan. Dat vertaalt zich in de traagheid waarmee veranderingen doorgevoerd worden. Onze minister van Onderwijs heeft een goede visie, maar ik heb met de man te doen omdat hij zijn ideeën slechts zeer traag kan realiseren. Het logge onderwijssysteem met zijn netten en structuren leidt ertoe dat ons onderwijs aan snelheid verliest in plaats van wint. Erg jammer, want daardoor dreigt het onderwijs niet aangepast te zijn aan de noden van deze tijd. TechnologieJongeren leren vandaag anders dan veertig jaar geleden. Ze willen minder klassikale scholing, ze zijn gewend om met enkele klikken van de muis zaken op te zoeken en om met verschillende functies van de pc tegelijkertijd te werken. Laat hen zelf meer ontdekken. Leer hen de verbanden zien tussen theorie en praktijk. Jongeren willen sneller de praktijk ervaren. In feite leven we voor het eerst in een tijd waarin de jongeren de ouderen onderwijzen, in het gebruik van software bijvoorbeeld. Er zijn heel wat leerkrachten, zeker in de leeftijdsgroep tussen veertig en zestig, met weerstand tegen ICT-toepassingen omdat ze deze onvoldoende kennen. Dat creëert een spanningsveld tussen hen en de jongere generatie. Ik ben ervan overtuigd dat dit een tijdelijk fenomeen is en geloof dat de jongste generatie leerlingen, deze tussen tien en vijftien jaar, een boost zullen geven aan de technologie. Zij zijn doordrongen van de mogelijkheden hiervan. Maar het is niet omdat ze kunnen goochelen met de toepassingen, dat ze ook de mechanismen hierachter begrijpen. De interesse van veel jongeren in energie- en milieuvraagstukken zou een perfect aanknopingspunt kunnen vormen om jongeren hierin op weg te zetten. Technologie zou reeds in de lagere school geïntroduceerd moeten worden, maar dat gebeurt slechts op zeer beperkte schaal. Dit heeft ongetwijfeld een doorslaggevende invloed op de studiekeuze van jongens en meisjes. Ouders hebben hierop ook nog steeds een sterke invloed, vooral vanuit de domeinen waarin ze zelf werken en waarmee ze vertrouwd zijn. Ik ben er echter van overtuigd dat we, samen met de overheid, veel beter moeten communiceren over waar de beste toekomstkansen liggen. Er is een grote vraag naar afgestudeerden in technologische en wetenschappelijke richtingen. Deze jongeren gaan een goede toekomst tegemoet. Momenteel komt het aanbod absoluut niet overeen met de vraag. Natuurlijk, de studiekeuze moet vrij blijven maar we moeten veel meer inspanningen doen om bepaalde richtingen te stimuleren. Zowel de overheid als het onderwijs en het bedrijfsleven hebben hierin een rol te spelen. Waar het onderwijs kansen laat liggen door haar trage, logge manier van werken, proberen we dat op lokaal niveau te compenseren door een sterke samenwerking tussen scholen en bedrijven. De een kan niet zonder de ander. Wij vragen geen pasklare schoolverlaters, wel een brede opleiding en de bereidheid om te blijven leren. Met dit laatste is het gelukkig vrij goed gesteld in Vlaanderen. Steeds meer jonge sollicitanten vragen naar verdere opleidingsmogelijkheden binnen het bedrijf. Dat is een positieve tendens, want zowel een bedrijf als haar medewerkers kunnen het zich niet permitteren te stagneren. |
Volg ons:
